Zwangerschapsdiabetes

Zwangerschapsdiabetes (zwangerschapssuikerziekte) wordt ook wel Diabetes Gravidarum genoemd. Als een vrouw deze vorm van diabetes krijgt, gebeurt dat meestal in de tweede helft van de zwangerschap. Zwangerschapsdiabetes verdwijnt meestal weer na de bevalling. Bij diabetes is er een stoornis in de stofwisseling van koolhydraten (suikers en zetmeel). Bij zwangerschapsdiabetes is een dieet vaak voldoende. Soms is ook medicatie nodig.

Hoe ontstaat zwangerschapsdiabetes?

Tijdens de zwangerschap groeien bepaalde weefsels van de moeder (baarmoeder, borsten, reserve-vet) en ontwikkelen het kind en de moederkoek (placenta) zich. Daarom verandert de stofwisseling van de moeder.

Voeding bestaat uit eiwitten, vetten en koolhydraten. Koolhydraten worden in de darmen verteerd tot glucose. De glucose komt in het bloed (bloedsuiker). Vanuit het bloed moet de glucose de lichaamscellen in, waar het voor de nodige energie zorgt. Voor die laatste stap is insuline nodig, een stof uit de alvleesklier.

Tijdens de zwangerschap werkt de insuline minder goed. Daardoor blijft er meer glucose in het bloed. Bij een normale zwangerschap gaat de alvleesklier dan méér insuline aanmaken maar bij zwangerschapsdiabetes gebeurt dit niet voldoende. Er komt te veel glucose in het bloed: de bloedglucosewaarde wordt te hoog.

Symptomen

Doordat er te veel glucose in het bloed zit, wordt er glucose via de urine uit het lichaam uitgescheiden. Daarom wordt tijdens de zwangerschap de urine gecontroleerd, samen met de bloedglucosewaarde.

Andere aanwijzingen die kunnen duiden op zwangerschapsdiabetes zijn:

    • Veel vruchtwater
    • De baby is groot voor de duur van de zwangerschap

Het risico op zwangerschapsdiabetes is groter als:

  • De moeder ouder is dan 35 jaar
  • Een vorig kind bij de geboorte zwaarder was dan 8 pond
  • Diabetes voorkomt bij eerstegraads familieleden
  • De moeder eerder een miskraam gehad heeft
  • De moeder overgewicht heeft
Gevolgen

Als de moeder te veel glucose in haar bloed heeft, geeft zij dit door aan haar kind. Het kind gaat meer insuline aanmaken en neemt extra glucose op in zijn lichaamscellen. Daardoor groeit hij sneller en wordt hij zwaarder dan bij een normale zwangerschap. Door de grote hoeveelheid vruchtwater kan de baarmoeder overbelast raken. Daardoor kan het zijn dat de weeën eerder beginnen en de baby te vroeg geboren wordt. Enkele dagen na de bevalling is bij de moeder de zwangerschapsdiabetes in veel gevallen weer verdwenen. Maar omdat het kind in de buik van zijn moeder veel glucose kreeg, maakt hij zelf nog steeds veel insuline aan. Na de bevalling krijgt het kind veel minder glucose. Daardoor kan zijn bloedglucosewaarde een paar dagen laag zijn, tot zijn lichaam een evenwicht heeft gevonden tussen insuline-aanmaak en glucosetoevoer. De bloedglucosewaarde van het kind wordt na de bevalling dan ook in de gaten gehouden

Als je zwangerschapsdiabetes hebt zijn aanpassingen in de voeding altijd nodig. Ga naar de dietist voor een goed advies.